Het Natuurhistorisch en volkenkundig Missiemuseum

  • Datering van het verhaal: 1950-1952
Het Natuurhistorisch en Volkenkundig Museum

In het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw rook het bij ons thuis in de keuken nog elke zondagmorgen heerlijk naar bouillonsoep. Ons moeder maakte die voor ons allemaal. Er ging wel een pond rundvlees in met daarbij om de smaak op te hogen, een klein mergpijpje en een stukje lever. Ik weet dat zo nog goed omdat ik zelf de dag ervoor naar de slager was gestuurd.
Ik moet toen een manneke van een jaar of tien zijn geweest en ons moeder was deze morgen weer bijtijds aan de soep bezig.
Die dag kreeg ik de eer, om het stukje mergpijp eruit halen, wat ik dan voorzichtig leegde op een vers besmeerde beschuit. Met wat peper en zout, was dat voor mij een traktatie! dan nog een kop bouillon, en ik ging op pad.
Pas dan begon mijn zondagse uitstap.
Waarheen? Niet naar mijn vriendje Adrie daar kwam ik op zondag niet.
Daar ging elke zondag de pan op tafel en aten ze meteen als ze uit de kerk kwamen wittebrood met gebakken lever en uien. Daar hoorde ik niet bij. Ik ging dus in mijn eentje op weg.
Naar Het Natuurhistorisch en Volkenkundig Museum, aan de Paleisring.

Hoe ik nou juist daar terecht kwam? Dat kwam zo: ooit was ik aan die zondagse tocht begonnen. Wanneer dat was weet ik zo precies niet meer, maar ik interesseerde me voor beide musea, zowel voor dat van de natuur als voor het missiemuseum.

Het vierkante gebouw op de hoek van de Zwijsenstraat met de kleine kantelen,
net zoals bij het Paleis Raadhuis, aan de overkant, zie ik nog voor me.
In het voorjaar stond er bij de ingang net op de hoek een prachtige Magnolia te bloeien. Een feest om te zien!
Ik herinner me nog de muren van het grijze gebouw, die tot bovenaan met klimop, waren begroeid, die dan in de herfst zo prachtig rood kleurde. Echt wat voor een natuurmuseum!
Bij binnenkomst, zal ik de enorme grote Chinese vaas nooit vergeten die in de hal stond. Die moet meer dan een meter hoog geweest zijn, of minstens zo groot als ik zelf in die tijd. Beneden bevond zich het natuurmuseum.

Bij de entree liep je tegelijkertijd rechtuit op een grote vitrine met bosdieren erin waaronder een groot opgezet hert. Er lag gedroogd mos op de bodem en allerlei gronddieren leken er levensecht rond te lopen. Achteraan, een berkenboompje, met daarin kleine vogelsoorten zoals de koolmees, de mus en het roodborstje.

Aan het begin van de tentoonstellingszaal stond een geprepareerde wolf.
Hij had een grote open bek met scherpe tanden en een bijna, echte tong.
Dan ging je er binnen.
Ik zie er nog de grote hoge kasten met nog meer opgezette vogels, alles netjes gerangschikt zoals ze ook in de natuur naast elkaar voorkwamen. Een eekhoorn op een tak, met een dennenappel in zijn pootjes. Verder zag je er de Vlaamse gaai, de kraai, de opgezette marter en ander kleine bosdieren tot aan de spitsmuis toe, alles keurig in vitrines ondergebracht. Er was een opgezette reiger. Een paar korhoenders stond er met opgestoken veren prachtig bij.
En verderop, weer heel wat anders, een grote vlinderkast, met daarin geordend en in rijen opgeprikt de prachtigste exemplaren. Ook was er een vitrine met een echte levende slang die zich bijna nooit liet zien, maar ergens op een verborgen plekje ineengerold lag te slapen.


Een kale heer met een bril was de baas van de dierenafdeling.
Ik heb hem maar heel weinig gezien.
Wanneer ik hem iets vroeg, gaf hij mij nauwelijks antwoord.
Zijn naam, ben ik dan ook kwijtgeraakt.

Boven gekomen op de afdeling van het Volkenkundig missiemuseum zag ik veel meer interessante, en tot mijn verbeelding sprekende zaken.

Er hingen maskers aan de muur met gaten voor de ogen en met gekleurde strepen
beschildert en versierd met kokosvezels als haren. Mooi versierde kalebassen.
Maar ook Prachtig gebatikte doeken. Zelfs een opgezet gordeldier. Een echt schildpadschild dat helemaal gepoetst leek. Ik was enthousiast over van alles.

Door mijn wekelijkse bezoek herkenden ze me daar op den duur als vaste klant.
Ik was het jongetje dat altijd meteen doorliep naar het missiemuseum op de bovenverdieping. Daar werd altijd heel hartelijk ontvangen door een mevrouw, die Van Perski of Perschi heette, ze wachtte zelfs op me.
Haar precieze naam wil me niet zo te binnen schieten. Een heel aardige mevrouw die me alles, maar dan ook alles, van wat er in het museum te zien was, vertelde.
Juist omdat ik thuis een moeder had die ik met zes anderen moest delen was ze voor mij extra bijzonder.
En omdat ik trouw elke zondag present was, en ik ondertussen goed op de hoogte raakte van al het getoonde, vroeg ze me zelfs of ik haar wilde assisteren als het bezoekersaantal voor haar alleen, te groot werd. Trots zei ik ‘ja!'Daar kreeg ik zelfs wat ervaring in en op den duur werd er door haar zelfs op mij gerekend.
Ik vertelde honderduit, en nog wel aan paters, zo recht uit de missie, kon ik mijn verhaal doen over de rijstoogst de palmbladeren, de hutten en de kleine markten die in miniatuur waren weergegeven maar ook de zaken zoals leefgewoonten van de Dajaks en de Bataks. Er lagen gevonden grafgiften in de vorm van kleine grijs kleurige beeldjes van ruwe steen met restjes groen glazuur erop. Ze luisterden zelfs aandachtig naar me. Ik voelde me al heel geleerd! Mevrouw van Perski gaf me aan het eind van de morgen wat te lezen mee. Ingebonden missieblaadjes weliswaar vol met blote mensen, de eersten die ik met weinig kleren zag. En mannen met een bot door hun neus, en een kralensnoer van witte schelpen om hun hals. In niks met onze pa te vergelijken. Maar achterin elk blaadje stond het vervolg van de avonturen van een bijzondere krekel, die zich diep in het oerwoud afspeelden.
Ik heb ze gretig gelezen. Elke week ging er trots een volgend exemplaar mee naar huis, waar ze met het warme eten op me wachtten. Ik realiseer me nu dat we in die tijd nog niet of nauwelijks over televisie beschikten, laat staan internet.
Deze musea brachten verassend nieuws voor die tijd. Niet te vergelijken met vandaag. In mijn herinnering draag ik dan ook het totale museum nog steeds, met me mee. Ik heb het opgeschreven zodat iemand anders er misschien iets aan heeft.
Tot nu toe lag het kalm op de bodem van mijn ziel,

Willem Jonkergouw