Gepubliceerd 14-11-2010 14:20 TIJSC Trappers

  • Datering van de foto: 1963-1965
  • Wie staan erop: zie onder afbeeldingen

IJshockey in Tilburg jaren '60

Naar aanleiding van het schaatsen op Theresia ontstond het initiatief om de oude Tilburgse ijshockeytraditie uit 1938 nieuw leven in te blazen. Een hergeboorte zou je kunnen zeggen. Ik kende de verhalen over het ijshockey in Tilburg van mijn zwager Jac van Sprang en zijn broer Leo. Ze vertelden vol vuur over de wedstrijden tegen Hokij Den Haag en Luik, waarbij de rivaliteit tussen Tilburgse supporters en de Luikse tot uiting kwam door sabotage van hun autobus. De uitlaat werd vol gestopt met een rauwe aardappel, waardoor de motor niet wilde aanslaan. Het duurde even voordat men dat had ontdekt en ze uiteindelijk naar België konden terugkeren. Tilburg had in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog een sterk team op het door de Canadezen gebouwde baantje aan de Elzenstraat. Enkele van die jongens van toen wilden weer het ijs op. Ze hadden het jaren zonder baan moeten stellen, waardoor het ijshockey slechts een herinnering bleef. Totdat Jules Leynen, Jacques Herijgers, Toon van Rijswijk, Frans Koch, Nico Kremers, Joop van Morkhoven, Toon van de Ven, Frans van de Heuvel, Ad Brouwers en Toon Hopmans opnieuw in een team uitkwamen. Dat nieuwe team met ‘oude' mannen werd aangevuld met jonge krachten. Arthur Gmünder, de Zwitser, werd aangetrokken als speler/coach evenals de jonge Canadezen Jo Simons en John MacDonald. Maar ook mijn maatje Adje Herijgers, Ferdy Bouckaert en ik, Jan Kwantes, waren vol ambitie om mee te doen. Ik had mijn uitrusting voor een deel gekregen van Jac, mijn zwager, en Leo van Sprang. Het waren oude spullen die jaren in een plunjezak hadden gezeten. Er zat nog een wollen trui in met een afbeelding van een hert met een gewei erop, daar was echter de mot in gekomen zodat ik die niet meer kon dragen. Beenbeschermers en een tok heb ik zelf aangeschaft. In het begin speelde ik nog zonder helm, Adje had een leren hoofdbeschermer op.

Het eerste jaar 1963 werd er bij strenge vorst gespeeld op de onder water gezette speelplaats van Theresia met een door de gemeente getimmerde boarding. Het vroor toen wel zeven weken aaneen. Het jaar daarop was er een kunstijsbaan, die weer wat later werd overdekt. Ik trainde twee keer per week. Die trainingsavonden waren niet mals. Je moest zowel aan je conditie werken als techniek opdoen. Weliswaar was ik sneller dan de oudjes, maar qua techniek en stickhandeling kwam ik in vergelijking met hen te kort. Het was stevig trainen op de ijsbaan, starten, stoppen, starten, stoppen, achteruit, vooruit schaatsen, linkse en rechtse ijshockeybochten draaien en zowel links als rechts pootje over. Binnen enkele minuten zweette je als een paard en sloeg de damp van je af boven die koude ijsvloer. Daarna speelden we altijd, in wisselende samenstelling, een partijtje tegen elkaar. We werden handig met tape, dat moest rond je benen en om de stick. Onderaan het blad, maar ook aan het andere uiteinde zodat hij niet uit je hand schoof.

In de wedstrijd werd je om de drie minuten gewisseld anders was dat hoge tempo niet vol te houden. Op de bank gezeten kokhalsde ik dan van het buiten adem zijn. Je kreeg dan een kwart sinaasappel waar je het sappige vlees uitbeet en op commando van de coach ging je dan met de eerste, tweede of derde lijn weer het ijs op. De aanval, ook wel forwards genoemd, vond ik het leukst en vooral het doorkneed raken in het geven van een slepshot, waarmee je de puck optimaal vaart mee gaf, fascineerde me. Je kon ook flink met je tegenstander of met het ijs in aanraking komen. In het weekend speelde ik zowel jeugdwedstrijden, als later voor het eerste team van de inmiddels opgerichte Tilburg Trappers. Onder andere Krefeld, Antwerpen, HIJS Den Haag, Amstel Tigers en Rotterdam waren onze tegenstanders. Op een avond speelde ik een wedstrijd in Nijmegen, ook op een open baan zoals wij in Tilburg hadden. Gaandeweg werd de baan gehuld in steeds dikkere mist. De keepers konden elkaar niet meer zien staan, maar de scheidsrechters keken vanaf de middenlijn en staakte de wedstrijd niet, zij konden immers de beide keepers nog zien en daarom was er geen aanleiding om te stoppen.

Ene Jaspers, van de Amstel Tigers, was een gemeen ventje, hij beukte je met de achterkant van zijn stick in je ribben als je naast hem reed om de puck af te pakken. Met al mijn macht heb ik hem bij een confrontatie op de heup genomen met een zogenaamde bodycheck. De ene keer speelden we op de vrijdagavond thuis en op de zondagavond uit en de volgende keer andersom. We werden dan met de bus vervoerd. Een keer zijn we met drie jeugdspelers, inclusief onze plunjezakken en sticks in een Karman-Ghia, een sportauto van Volkswagen, met Joop van Morkhoven naar het jeugdtoernooi in her Antwerpse Sportpaleis geweest. Als haringen in een ton zaten Adje, Jo en ik opeengepakt in die tweezitter met een piepklein achterbankje. In de kleedkamers van de catacomben van het sportpaleis hoorden we de Duitsers hun clublied al zingen en zich marcherend naar het ijs begeven op hun rubber schaatsbeschermers. Joop zei:'die moffen proberen ons te intimideren, laat je niet opnaaien, we spelen ons eigen spel'. Toen wij op het ijs stonden en voor de aanvang van de wedstrijd wat aan het inrijden waren en tussen de tientallen pucks door manoeuvreerden, hebben wij de Duitsers laten zien wat slepshots waren. In het restaurantgedeelte langs de baan achter de boarding zaten de met de clubkleuren getooide Duitse bobo´s achter een muur van plexiglas te lunchen. Wij hebben toen een spervuur van pucks op de transparante scheidingswand die ze van ons scheidden losgelaten. Tot hun schrik en ons vermaak stonden ze in paniek op en begonnen met hun armen te zwaaien. Dat het ons op een reprimande kwam te staan deerde ons niets. Zodra de winter was afgelopen eindigde ook het ijshockeyseizoen en konden bij wijze van spreken de schaatsen in het vet. Tegen de herfst kwamen we weer bij elkaar en begon de training voor de nieuwe competitie.

In die tijd droeg ik nummer 13 op mijn shirt, en stond in de derde aanvalslijn met Ferdy. Adje had 11 en stond in de tweede, Joe Simons 10, Arthur Gmünder 9 en John McDonald 8, zij vormden de eerste lijn. Door deze drie ervaren spelers werd het meest gescoord. Arthur, in mijn ogen een Zwitserse gentleman, was de aangever voor de twee Canadezen, hij liet hen beter spelen door zijn assists. Jo rommelde voor de goal en kwam altijd met zij armen omhoog uit de schermutselingen. John had een strakke, harde pass over lange afstand. Adje's spel kende ik als geen ander en met hem kon ik aardige duo's maken. De in zijn gezicht getekende Frans speelde behendig en bij Ferdy zag ik een soort kunstrijderskwaliteit, die kon zowaar een pirouette maken voordat hij tegen het ijs kwakte. Onze verdediging bestond uit de stabiele Nico, Toon en geblokte Jacques, oudere broer van Adje, met de sierlijk spelende Jules de juwelier. In de goal het eeuwige Toontje met zijn Franse alpino, maar ook op Broer Wessels van de slager en op Toon van de marktkramen kon je rekenen.

Mijn eerste wedstrijd in het eerste team van TIJSC Tilburg Trappers speelde ik thuis tegen Rotterdam. Die club had zelf nog geen ijsbaan en speelde toen zogenaamd ‘thuis' in Tilburg. Ik was in het begin wat nerveus met al dat publiek, maar hoe meer de wedstrijd vorderde hoe beter ik in mijn spel kwam. Bovendien stelde coach Arthur me gerust en gaf me mee dat dit een gezonde spanning was, die je nodig had om te winnen. We wonnen en ik scoorde zelfs en had een assist.

Mijn vriendin is één keer mee geweest naar een ijshockeywedstrijd van Tilburg Trappers waarbij ik speelde, maar dat was tevens de laatste keer. Ze had in de toen al overdekte ijshal een plaatsje gezocht vlak achter de goal, net op het stuk langs de boarding waar alle leidingen onder de vloer lopen met koelvloeistof om de ijsvloer te maken en in tact te houden. De wedstrijd vond ze wel interessant, maar haar benen waren bijna bevroren, gaf ze na afloop van de wedstrijd aan.

Als Nederlands staatsburger op 18-jarige leeftijd, moest ik zoals de meeste jongens eraan geloven. Ik werd in Breda gekeurd voor militaire dienst en op mijn negentiende riep het leger me op. Toen het seizoen 1964-1965 ten einde was had ik voor de laatste keer in de Nederlandse competitie gespeeld. Ik werd namelijk in maart 1965 op de kazerne in Bussum verwacht om mijn dienstplicht te vervullen. Van ijshockey op het niveau van TIJSC kwam dus helaas niets meer terecht. Achttien maanden dienstplicht betekende dat je weken van huis was en dat er ook vaak weekenden bij in schoten. Jammer, het was een geweldige tijd maar te kort.

JKw (uit ‘Bouwjaar 1945'memoires van Jan Kwantes)

Afbeeldingen:

  • 1. Klaar voor de ijshockeywedstrijd in de overdekte hal. Op een rij en handen van de tegenstander schudden, TIJSC 1964/1965;
  • 2. 1963/1964 Spelmomenten op de open baan Theresia. Toon, Jan, Jules en/of Ad Brouwers . .;
  • 3. 1963/1964 Spelmomenten op de open baan Theresia. Toon verslagen, Jan, Jules en/of Ad Brouwers, . . denk ik;
  • 4. 1964 Training TIJSC, met de beste stuurlui . . en uiterst rechts Frans;
  • 5. Statistiek spelersoverzicht 1964/1965 TIJSC van http://www.tysctrappers.nl/ TYSC Trappers History Site.

Dit verhaal heeft de volgende trefwoorden meegekregen: ijshockey sport TIJSC Tilburg Trappers

  •   Jan Kwantes
  •   0    0    0 

Reacties

(nog geen reacties)


Reageer

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen toevoegen.


Media





Gerelateerde verhalen