Gepubliceerd 17-04-2009 11:02 Jozef de Beer

Geboortedatum: 01-01-1927

Van Indië terug naar Theresia

In 1948 verlieten Jozef de Beer [geb.1927] en Jan van Bavel [geb.1928] als dienstplichtig militair in de rang van resp. korporaal en soldaat huis en haard om ‘ons Indië' te beschermen tegen de onafhankelijkheidsbeweging van Soekarno. Voor die ‘politionele acties' zoals ze werden genoemd, scheepten zij zich in op het troepentransportschip de ‘Johan van Oldenbarneveld'. Twee jaar later in 1950 keerden ze terug met het Amerikaanse libertyschip de ‘General Harry Taylor'.

Die reis terug naar Nederland duurde 28 dagen. De 2800 manschappen hielden zich op dat schip net zoals op de heenreis bezig met het vegen van het dek, het schrijven van brieven naar het wachtende thuisfront, het kijken naar de meezwemmende dolfijnen en het zwaaien naar andere schepen. Een ander tijdverdrijf bestond uit het oefenen van het evacuatieplan. Mocht er onverhoopt iets met het schip gebeuren, dan moest iedere soldaat weten in welke sloep hij moest plaatsnemen, op welke plek precies, enz.

Als de ‘G.H.Taylor' op 1 juli 1950 aanlegt aan de Amsterdamse kade, staan daar talrijke bussen gereed die onze jongens thuis bij de voordeur zullen afleveren. Beneden aan de loopplank ontvangt iedereen een appel als welkomstgeschenk, waarna de juiste bus wordt opgezocht. Jozef en Jan én hun persoonlijke militaire bagage rijden linea recta naar Tilburg. Jan zal afgezet worden in de Hoefstraat, Jozef op Theresia.

Op het Theresiaplein is inmiddels veel volk op de been om de veilige thuiskomst te vieren. Familie, vrienden en kennissen hebben lang op dit moment moeten wachten. De stemming is uitgelaten maar in de bus hangt een andere sfeer. Want na twee jaar verblijf in de rimboe met gevaar voor eigen leven en dan terugkeren in je eigen omgeving maakt zenuwachtig en geeft een vreemd gevoel. Maar de ontvangst voor beiden is hartverwarmend. Jan van Bavel sluit zijn verloofde weer in de armen en krijgt de dagen daarop tweemaal bezoek van de harmonie. Jozef de Beer, hoewel geen verkering, ervaart hetzelfde enthousiasme.

En jawel, er komt nog een presentje van Het Nederlandse leger: alle teruggekeerde militairen mogen zes weken vrij reizen met de trein en dat cadeau wordt natuurlijk de weken daarop driftig aangewend om in heel het land oude maten op te zoeken.

Na ongeveer twee maanden moeten Jan en Jozef zich weer melden bij hun onderdeel in de kazerne. De persoonlijke militaire uitrusting moet ingeleverd worden en voor Jozef is dat ook zijn Colt, voor Jan zijn Lee Enfieldgeweer. De beide soldaten zwaaien af en keren daarmee officieel terug in de burgermaatschappij.

Jozef, in bezit van het Odulphusdiploma, krijgt een baan bij de Zuivelgroothandel Tilburg en moet weer wennen aan een werkdag van 8.00 tot 18.00 uur. De eerste maanden voelt hij zich diepongelukkig; het aanpassingsproces loopt traag. Jan van Bavel, diploma handelsdagschool/Leoschool, werkte vóór het Indië-avontuur bij de Gebroeders Maas, bouwmaterialen, maar kan daar niet terugkeren. Uiteindelijk komt hij terecht bij lompengroothandel Vernooij als boekhouder. Hij blijft daar 40 jaar werkzaam en heeft weinig last van herintegratie.

Het verhaal is hiermee niet af: in de jaren die volgen, is het voor de beide ex-militairen zeer moeilijk hun Indië-verhaal te vertellen. Het valt zwaar dat die Nederlandse militaire missie in het openbaar wordt doodgezwegen en dat de bekende dr. L. de Jong de periode van de politionele acties in een negatief daglicht stelt. Het is extra moeilijk te verteren dat de directe omgeving geen belangstelling heeft. Een mogelijke verklaring voor dit alles zou zijn: Nederland was geen overwinnaar. We raakten onze kolonie kwijt.

Praten over hun ervaringen blijkt dan alleen te kunnen met oude strijdmakkers en een welkome gelegenheid daarvoor zijn dan de latere veteranendagen. Vijftien jaar na aankomst in Nederland wordt pas de eerste reünie georganiseerd van B.I. 402 [bataljon infanterie 402]. Nog later krijgt iedereen een medaille en na bijna 50 jaar ontvangt men ook nog...duizend gulden Dat is heel wat meer dan die ene gulden gevarengeld die in Indië per actiedag is verdiend.

Jan van Bavel en Jozef de Beer wonen alle veteranendagen bij, altijd in Roermond op 7 september, een indrukwekkend ceremonieel waarbij menig traantje wordt weggepinkt. Op de laatste bijeenkomst hebben zij, alsook de partners, een prachtig herinneringshorloge ontvangen waarvan de wijzerplaat bestaat uit het bataljonembleem. Zo is een periode afgesloten...

Of toch niet? De beide heren, inmiddels 80 jaar oud, hebben in 1995 een reis ondernomen naar het toenmalige strijdtoneel; eerst naar Sumatra, vervolgens naar Java, naar de plaatsen waar zij hebben gevochten. Ze hebben een busje gehuurd met chauffeur en allerlei locaties bezocht uit hun herinnering. Ze spraken met de bevolking [Jan kent nog Maleis!] en zijn daar op geen enkele manier vijandig bejegend; niets van dat al, er was alleen maar hartelijkheid. Is dat de oosterse gastvrijheid of is het de tijd die slijt?

Dit artikel sluit met een gedicht, gemaakt door Jozef de Beer zelf:

‘Herinneringen van Jan Soldaat'

‘K Zat in Jan Oost - gedurende twee jaren -

Als infant'rist - we liepen ons de blaren -

't Was oorlog daar - de vijand bleef verborgen -

Hun trekbommen - die baarden ons veel zorgen.

Als in jouw buurt - zo'n lieverdje ontplofte -

Was je te laat - met hopen dat je bofte -

Zo'n ding wacht niet - de klap die komt meteen -

En kost dan al te vaak - een leven of een been -

Als 't effe kon - moest je de wegen mijden -

En dus maar 't liefst - nooit geen konvooien rijden -

Ook in het veld - werd naar ons uitgekeken -

Maar daar had je meer kans - je pik in 't zand te steken -

Gelukkig kon - de vijand vaak slecht schieten -

Ofschoon ook op ‘patrol'- makkers het leven lieten -

't was al met al - geen onverdeeld genoegen -

Altijd gevaar - en zelden leuke kroegen -

Ze stuurden ons - naar afgelegen plekken -

Daar kwamen peloppers ons - met schoten 's morgens wekken -

Dan riepen wij; - "Ga toch bij moeder spelen!"

Maar 's anderendaags - kwamen ze weer vervelen.

Een wachtploeg moest - ons dag en nacht bewaken -

Want rond het kamp - kon 't onheilspellend kraken -

Als wachtpost moest je dan - je zintuigen gebruiken -

Zien kon je niks - maar soms kon je ze ruiken ...

Dood en verderf - wilden ze bij ons zaaien -

Maar onze mitrailleur - begon meteen te maaien -

En dan opeens - was schieten overbodig -

En hadden we - een week geen wapens nodig -

Dan was er tijd - om even te ontspannen -

Je schreef naar huis: hier alles - in kruiken en in kannen -

Je kon in alle rust - djeroeks en pisang eten -

En aan het volleynet - je met je sobats meten -

De prachtige natuur - daar kon ik van genieten -

En dát dan schilderen - dee ‘k veel liever dan schieten -

Als dienstplichtig soldaat - was 't leven soms heel hard -

Maar samen kon je 't aan - en werd het halve smart -

Er groeide in twee jaar - vriendschappen voor 't leven -

In lijfsgevaar ontstaan - door nemen en door geven -

We gingen voor elkaar - door 't vuur wanneer dat kwam -

Dat gaat nooit meer kapot - een niet te doven vlam -

Het is een mooi geschenk - dat Indië ons gaf -

Maar never nooit vergeten wij - de sobats in hun graf -

Auteur: Piet van Eijkeren

Met dank aan: Jan van Bavel en Jozef de Beer

i.s.m. ‘Theresia in de schijnwerpers'

foto's: thuiskomst Jozef de Beer april 2009

Dit verhaal heeft de volgende trefwoorden meegekregen: Indië Theresia

  •   Piet van Eijkeren
  •   0    0    0 

Reacties

(nog geen reacties)


Reageer

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen toevoegen.