Eerste H.Communie

  • Datering van de gebeurtenis: mei 1946

Met dit verhaal werd ik onlangs in het kader van de door' Wiekentkunst uitgeschreven 'verhalenwedstrijd met het thema 'feest' winnaar. Het juryrapport spreekt o.a van: Geeft goed weer hoe belangrijk vroeger een communiefeest was.Een stuk immaterieel erfgoed is vastgelegd.

Vandaar mijn inzending.

Willem

COMMUNIEPAK

Als het Pasen werd en je was een eerste klasssertje van de lagere school, begon de voorbereiding op je "Eerste Heilige Communie." Wekenlang werd je door de frater of de zuster van je klas en ook nog door de kapelaan van de parochie, voorbereid op die grote dag. "Jezus" kwam immers in je hartje!

Eer dat het zo ver was, moest je zieltje rein zijn en je hartje helemaal voor "Hem" klaar, wanneer hij voor het eerst écht bij jou zou komen. Spannend was dat! Ook de eerste "biecht" werd voorbereid. De avond vóór de grote dag zou je dan écht voor het eerst biechten en beleed je jouw zonden.
Eigenlijk kon je niet wachten. Op de dag van je H. Communie was ook nog eens alle aandacht op jou gericht. Een héle eer! Zeker als je uit een groot gezin kwam. De hele buurt stuurde bovendien prentjes en kleine cadeautjes of stukken chocola. Mekka's!
Ieder die op het feest kwam, mocht prikken in een kaart waarop een negerkopje stond afgebeeld. Je prikte er met een speld aan de achterkant doorheen en moest dan het bedrag betalen dat op diezelfde plek aan de voorkant vermeld stond. Een stuiver of een dubbeltje voor de missie.
Van je peettante kreeg je een dejeuneetje. Zoiets bestond uit een kop en schotel en een boterhammenbordje, met daarop een afbeelding van een braaf, jongens- of meisjescommunicantje dat met open mond de verlichte H. Hostie rechtstreeks van Jezus zelf, aangereikt kreeg.

Je moest natuurlijk op zijn Paasbest gekleed zijn die dag. Onze pa toog dus met mij en mijn twee jaar jongere broertje, naar "ome Dorus" de kleermaker.
Twee coupons donkerblauw kamgaren had pa in de fabriekswinkel voordelig kunnen kopen. De lappen leken wel érg op elkaar. De éne met een blauw met wit streepje, de andere met een blauw en rood streepje. Een colbertje met een korte broek, zowel voor mij als voor mijn broertje, dat zat er allemaal nét in.
Na een week mochten we komen passen en nog een week later, precies op tijd dus, waren ze klaar. Eigenlijk vond ik daar iets oneerlijks inzitten. Ik deed mijn communie en mijn broertje niet. Terwijl hij toch óók een nieuw pak kreeg! Maar ja, zulke gedachten hoorden niet bij een rein zieltje.

Eindelijk brak dan de grote dag aan. Bij het eerste morgenlicht was ik al wakker en kreeg zoals elke dag zin in een boterham. Maar ja. Vóór de H. Communie moest je nuchter zijn. Net als de grote mensen. Wat ik er dan ook graag voor over had.
Tenslotte werd het tijd om van huis te gaan. De zon scheen. Een zachte wind blies roze kersenbloesems over de muur van de pastorietuin en spreidde ze over het kerkpad. Een feestelijk gezicht! Ons hele gezin was mee naar de kerk en bracht mij tot aan de kerkdeur.
Daar aangekomen moest ik op zoek naar mijn eigen plaats. Vóórin mocht ik in een van de kerkbanken gaan zitten. Bij de andere communicantjes, die er mooi schoongewassen uitzagen. Helemaal in het nieuw gestoken! De jongens met hun nog natte, pasgekamde haren. De meisjes gekleed in witte bruidsjurkjes. Smetteloos zuiver zoals zijzelf zaten ze met verse pijpenkrullen nog stijf van het suikerwater, te stralen. De reinste der schepselen!
Voorzichtig schoof ik de bank in om vooral de vouw in mijn broek te bewaren die er zo mooi en stevig in zat. Ik kon terwijl ik op mijn knieën zat, langs de vouwen van mijn broek naar beneden kijken. En als ik nu niet bukte, zaten ze er straks bij het ter communie gaan nóg kaarsrecht in. Ome Dorus had zijn best gedaan! Ik had lichtgrijze kniekousen aan en zwarte nieuwe schoenen. Met nog gladde leren zolen, die nog blonken van de nieuwte!
De kerk liep vol. Alle ouders, opa's en oma's en zoveel mogelijk verdere familie. Allemaal waren ze er. En dan verliep alles zoals we de dagen daarvoor hadden ingestudeerd. We zongen dan ook braaf:

"Achter het deurtje van het altaar
Woont Gij waarlijk Lieve heer"
En een rij van Heilge Eng'len
Knielt eerbiedig voor U neer

Met telkens het refrein:

Kom Heer Jezus in mijn hartje.
Kom O Jezus, Lieve Heer
Ik verlang naar u zo vurig
Kom O Jezus, wacht niet meer...

Gij zijt in de Heilige Hostie
'K zie U niet O Lieve Heer
Ik geloof het en aanbid U
En ik kniel met d'Eng'len neer

"In de blanke Heilige Hostie.
Zijt Gij waarlijk, Lieve Heer.
In de kleine Heilge Hostie
Komt Gij in mijn hartje neer..."

Samen met de grote mensen baden we "Heer ik ben niet waardig, dat Gij tot mij komt, maar spreek slechts één woord en mijn ziel zal gezond worden:..." En dan werden we rij voor rij, naar de communiebank geleid.
De mensen kropen op hun stoelen, reikhalsden om te kijken en hielden hun adem in. Vol verwachting. Ook mijn rij kwam aan de beurt. Ik zou bij het volgende gerinkel van de altaarschel mogen knielen om "Onze Lieve Heer" te ontvangen. Terwijl ik knielde keek ik nog eens naar de vouw in mijn broek, en schrok!
Ik had een colbertje aan met een blauw met wit streepje. En mijn broek had, zag ik, een blauw met rood streepje! Helemaal fout! Ik schaamde me diep. Vooral voor Onze Lieve Heer, die uitgerekend bij me kwam nu ik er zó bijliep!
Mijn dag was stuk! Alle ogen waren op mij gericht. Ik voelde het! Wie ontvangt er nu zó de Eerste Heilige communie? Wie gaat er nu zó naar de kerk? Iedereen kéék! Ik kreeg het helemaal warm...

Thuis was het gelukkig tóch feest en werd er bij aankomst confetti voor me gestrooid. Overal waar ze een communicantje hadden lag er de stoep aan de voordeur mee vol. Een mooi gedekte tafel wachtte. Witte puntbroodjes, krentenbollen en chocolademelk, alles was er!
Eigenlijk een dag zoals bij iedereen. Maar ook nu nog denk ik, zodra ik weer communicantjes zie, aan die éne dag. De dag waarop ik me zo goed had voorbereid en die door een simpele vergissing nooit de dag werd zoals ik me die had voorgesteld. Een dag die ik nooit meer over zou kunnen doen of tegenover Onze Lieveheer ooit zou kunnen goedmaken.

Willem Jonkergouw